Het is donderdag 16 februari.
Ik loop op een modderig pad langs een tractor-met-aanhanger die flink is weggegleden in de welwillende modder. Ik zie een menselijke gestalte omringd door een bomenrij. Ze zwaait. Ik heb het gevonden: de paardenranch van Anne-Krista. Ze begroet me hartelijk, haar haar is versierd met stro. We baggeren door het terrein. Overal schrikdraad. Het staat nu niet aan. Er grazen een zestal paarden, groot, intensief plukkend aan de ruif waar af en toe een lekker plukje van af komt. “Paarden grazen 14 uur per dag”, vertelt Anne-Krista me.
“Hebben ze mij al opgemerkt? “Vraag ik. “Allang” zegt ze. Wij mensen hebben een inner circle van 1 meter. “Paarden hebben een inner circle van 15 meter”. Ze kennen haar door-en-door, mij nog niet. Ik zie wat gedoe, gerommel, 1 paard zondert zich af, lijkt wel even uitgestoten. Een wit paard.
“Dat is wat er gebeurt als ze een nieuw iemand tegenkomen. Er ontstaat onrust en het evenwicht moet weer hersteld worden”. Oké, tis maar dat je het weet.
Het is weer rustig. Ik voel mijn nieuwsgierigheid opkomen en wil ze ontmoeten. Dichterbij. Voel ik mijn angst? Ja, die voel ik. Maar Anne-Krista zegt dat ik allang ben geaccepteerd. Hun persoonlijke cirkel heb ik namelijk al betreden. Ik kruip – met een beetje angstig gevoel – onder het draad door. Bevind me opeens tussen de grazende paarden. Ze zijn groot. Ze reageren nauwelijks. Dat voelt goed. Ik mag daar gewoon tussen staan. Na verloop van tijd komt de schimmel uit de ruif en begroet me. Ik steek mijn knuist een beetje uit, hij ruikt eraan. Dat voelt goed. Contact. Interactie. Hij komt met z’n wang voor me staan. Ik aai hem even. Wat mooi, wat rustgevend. Ik mag dit doen. Het voelt oké.
Ik loop even een stukje verder en kom dan weer terug. Hij trekt zich terug uit de ruif, loopt dichtbij me langs en weer terug, nu duwt hij zijn lijf een beetje tegen me aan, duwt me een heel klein beetje terug. Een heel klein beetje maar. En gaat dan weer eten.
Bijzonder. Ik voel wat het met me doet om NIET weg te lopen. Ik blijf staan, ondanks al de langsstromende gevoelens van angst, onzekerheid (“zien ze me wel staan”).
“Wat de paarden me nu laten zien, is dat ze je ruimte geven”. “De leider laat dit ook toe”. Leider? “Ja, er is een leider in de groep. Die greep niet in. Dus ze begrijpen dat jij ruimte nodig hebt om je lekker te kunnen voelen”. O…. is dat wat ze je vertellen? “Ja. Ik ken je verder nog niet, maar dit is wel wat ik zie”. Ik ben verbluft. Story of my Life.
Wat een ervaring om zomaar tussen die giganten te staan. En me veilig te voelen. Wat een voorrecht.


















